De meest voorkomende biases zijn primacy, recency, availability, contrast, en halo (onthoudbaar met het acroniem PRACH).
De “relatie” tussen het primacy en het recency effect kan worden uitgelegd met een U-vorm. We onthouden het best wat eerst en laatst gebeurde met een persoon en vergeten de delen in het midden.
Hoofdlijn: Perceptie beïnvloedt hoe mensen informatie waarnemen en interpreteren op het werk, wat kan leiden tot perceptual errors. Deze fouten kunnen gedrag, beoordelingen en beslissingen beïnvloeden, zoals bij sollicitaties of prestaties.
Belangrijkste Perceptuele Biases (PRACH): Primacy effect Eerste indruk blijft hangen en beïnvloedt latere oordelen. Moeilijk te corrigeren door belief perseverance. Oplossing: mensen laten uitleggen waarom ze een eerste indruk hebben.
Recency effect Laatste informatie weegt zwaarder in oordelen. Komt vaak voor in prestatiebeoordelingen. Oplossing: herhaling, codering (bijv. acroniemen), en visualisatie.
Availability bias Oordelen gebaseerd op wat het makkelijkst beschikbaar of herkenbaar is. Oplossing: gebruik van elaborative interrogation om kritisch denken te stimuleren.
Contrast effect Beoordelingen worden beïnvloed door vergelijking met anderen. Bijv. gemiddelde werknemer lijkt beter na slechte collega’s. Oplossing: gebruik van gestandaardiseerde beoordelingsmethoden.
Halo error Eén positieve eigenschap beïnvloedt de algehele beoordeling.> tegenovergestelde bijnegatief is horns error
Employability: Self-Fulfilling Prophecies During the Application Process Employability wordt gedefinieerd als wat de werkgever denkt over de kans dat een sollicitant betekenisvolle en positieve bijdragen levert aan hun organisatie. Dit wordt geïllustreerd in Figuur 5.2. Bijvoorbeeld: "ambition, work ethic, drive" verwijst naar de bereidheid om hard te werken. De mate waarin een sollicitant als employable wordt gezien, kan bepalen of ze worden aangenomen of niet. Onderzoek toont aan dat individuele verschillen, zoals openheid voor verandering en optimisme, verband houden met waargenomen employability.
Figuur 5.2 – Determinants of Employability Social/interpersonal compatibility → Rewarding to deal with Abilities, expertise, know-how → Able to do the job → Employability Ambition, work ethic, drive → Willing to work hard
Volgens Mintzberg’s klassieke analyse van managementwerk zijn er vier beslissingsrollen: Entrepreneur – zoekt naar nieuwe ideeën en kansen Disturbance handler – lost conflicten op en kiest strategische alternatieven Resource allocator – beslist hoe middelen worden verdeeld Negotiator – beschermt de belangen van het bedrijf via interactie met teams en de organisatie
Indecisiveness wordt beïnvloed door persoonlijkheid (zoals neuroticisme, perfectionisme) en situatie (zoals tijdsdruk, onzekerheid).
Besluiteloosheid kan ook worden versterkt door situationele factoren zoals gebrek aan informatie, onduidelijke of tegenstrijdige doelen, en onzekerheid over de uitkomst. Daarnaast staan leiders vaak onder druk tijdens het nemen van beslissingen (bijvoorbeeld tijdsdruk) en worden ze beïnvloed door belanghebbenden binnen en buiten de organisatie. Dit leidt tot frustratie voor de leider.
Career indecision is een veelvoorkomend probleem bij studenten.
Het rational decision-making model bestaat uit zes logische stappen die een leider kan volgen om een optimale beslissing te nemen:
Probleem- of kansidentificatie Informatie zoeken en analyseren Alternatieven genereren Alternatieven evalueren (wat betreft haalbaarheid, kosten en voordelen) Beslissingen nemen (met de laagste kosten en de grootste voordelen) Actieplannen ontwikkelen
Bounded rationality beperkt de rationele capaciteiten van mensen → leidt tot satisficing i.p.v. optimale keuzes.
Prospect Theory laat zien dat mensen niet rationeel handelen zoals klassieke economische theorieën voorspellen. In plaats daarvan: Denken mensen in verliezen en winsten t.o.v. een referentiepunt Zijn ze meer gevoelig voor verliezen dan voor winsten Nemen ze irrationele risico’s afhankelijk van hoe de situatie wordt ingekaderd (framing)
Loss Aversion (verliesaversie): Verliezen voelen zwaarder dan winsten van gelijke grootte. Bijvoorbeeld: het verlies van €100 voelt veel pijnlijker dan de vreugde van het winnen van €100.
Intuition is snel, onbewust, individueel, en emotioneel gestuurd – bruikbaar maar gevoelig voor fouten.
System 1 Thinking (intuïtief) is efficiënt, maar vatbaar voor biases.
Managers gebruiken drie stijlen: Think, Blink, en Smink (met heuristics).
Wicked organizational problems zijn complex, veranderlijk en vragen om flexibele strategieën.
Big data analytics helpt om patronen in grote datasets te ontdekken voor betere beslissingen.
Dit proces heet Data-driven decision-making (DDDM).
Managers kunnen beslissingen nemen via drie benaderingen: Think (afgaan op analyse), Blink (vertrouwen op intuïtie), Smink (gebruik van heuristics en algoritmes).
Decision traps zijn denkfouten die leiden tot slechte beslissingen:
Hindsight bias = "ik wist het al", belemmert leren Overconfidence = overdreven vertrouwen Escalation of commitment = blijven investeren in falende keuzes
Creative Problem Solving vraagt om creatief denken, motivatie en expertise.
Flow = optimale staat van creativiteit wanneer taak past bij vaardigheden.
Ethical decision making gebaseerd op: Utilitarianism, Individual rights, of Justice
Bounded ethicality = onbewust onethisch gedrag door psychologische beperkingen
Ethics of care benadrukt relaties en empathie
Er zijn drie algemene soorten organizational conflict:
Substantive conflict – ontstaat wanneer teamleden verschillende meningen hebben over belangrijke onderwerpen → kan leiden tot betere beslissingen, omdat beide partijen hun standpunt moeten onderbouwen.
Affective conflict – roept sterke emoties op zoals woede of walging door persoonlijkheidsverschillen of ruzies → kan stress en verstoringen veroorzaken.
Process conflict – meningsverschil over hoe iets aangepakt moet worden (zelfs na een beslissing) → verlaagt teamprestaties.
Te weinig conflict = apathie, lage prestaties
Te veel conflict = chaos, stress Een optimaal niveau = debat, betere beslissingen, hoge prestaties
Workplace incivility = onbeleefd gedrag met vage negatieve intenties
Workplace aggression = openlijk schadelijk gedrag (fysiek of niet-fysiek)
Abusive supervision = vijandige leider → leidt tot stress & angst
Direct / indirect effects → direct bij slachtoffer of via horen over gedrag
Toxic workplace ontstaat door collectief afwijkend gedrag en politiek
Conflict resolution styles (ROCI-II):
Integrating = samenwerken (duurzaam, maar traag)
Obliging = toegeven (goed voor relatie, maar tijdelijk)
Dominating = eigen belang voorop
Avoiding = terugtrekken, maar conflict blijft
Compromising = middenweg, maar niemand is echt tevrede
Resolving Conflicts across Cultures Conflictresolutie verschilt per cultuur.
Chinese studenten → avoiding style (harmonie, collectivistisch)
Amerikaanse studenten → competing style (individueel, competitief) → Chinezen richten zich op groepsharmonie, Amerikanen op logica en feiten.
Third-Party Interventions Facilitation = leider grijpt in als neutrale bemiddelaar. Als dit niet gepast is, zijn er alternative dispute resolutions zoals:
Ombudsperson: neutrale bemiddelaar binnen organisatie
Peer review process: klachtencommissie
Conciliation: derde partij wordt ingeschakeld
Mediation: meest gebruikte, persoonlijk, leidt tot tevredenheid en betere relaties
Stappen:
Participation – iedereen actief betrokken
Representation/reparation – iedereen mag mening en gevoelens uiten
Validation/reintegration – samenwerken aan oplossing
Arbitration: bindende uitspraak door derde partij, sneller en formeler dan rechtszaak
Negotiation Onderdeel van alle conflictresolutie. Stappen in het proces (zie figuur): Background Research – feiten en opties verzamelen Preparation – positie bepalen Build Rapport – relatie opbouwen Ask Questions Offers and Counteroffers Agreement of Impasse Implementation – eventueel via contingency contract (over toekomstige situaties)
There are two types of negotiation: Distributive bargaining (hard):
Win-verlies → vaststaande uitkomst (fixed pie)
Belangrijk: first-offer effect, BATNA (= beste alternatief)
Gericht op grootste deel pakken, strak, agressief
Integrative bargaining (soft):
Win-win → uitkomst is expanding pie
Benadrukt samenwerking, relaties, creativiteit
Denk aan “sweetening the deal”: meer waarde toevoegen voor beide partijen
Let op: emoties (woede) beïnvloeden onderhandelingen negatief (blowback effect). Cultuur heeft invloed:
VS → competitief
Brazilië, Midden-Oosten → relatiegericht
Labor relations: overleg tussen vakbond en management, vaak vijandig (distributive bargaining).
H12 organizational communication
What is Organizational Communication? “Thin slices” verwijzen naar hoe mensen al in de eerste seconden van een gesprek een indruk vormen. De volgende vier factoren beïnvloeden die eerste indruk:
Activity level – hoeveel iemand praat
Conversational engagement – hoeveel invloed iemand heeft op de gespreksdynamiek
Emphasis – variatie in toon, klemtoon, ritme
Vocal mirroring – het spiegelen van stemgebruik en gedrag van de ander
Uit onderzoek blijkt dat 30% van het onderhandelingssucces bepaald wordt in de eerste 5 minuten.
Organizational communication is het gebruik van verbale en non-verbale communicatie om betekenis over te brengen in een organisatie. Goede communicatie verhoogt werktevredenheid en prestaties.
Het Shannon-Weaver model of communication beschrijft het proces in stappen:
Sender → zender kiest een boodschap
Encoding → boodschap wordt omgezet naar een signaal
Channel → medium dat de boodschap verzendt
Receiver → ontvanger interpreteert → Ruis (bijv. temperatuur, accent, afleiding) kan het proces verstoren
Barriers to Effective Communication Naast ruis beïnvloeden ook andere factoren communicatie, zoals:
Communication apprehension (CA) = angst voor communicatie
Trait-based = in alle situaties
State-based = situatiegebonden → Mensen met hoge CA zoeken minder communicatieve banen
Language = verschillende betekenis van woorden kan misverstanden veroorzaken → Oplossing: gebruik van active listening, omschreven als:
“Creatief, actief, sensitief, accuraat, empathisch en zonder oordeel”
Active listening bestaat uit:
Lichaamstaal en betrokkenheid
Herhalen/parafraseren
Vragen stellen ter verduidelijking
→ Leidt tot beter begrip, tevredenheid, en is gelinkt aan mindfulness
Communication Networks In organisaties is communicatie vaak netwerkgebaseerd. Het gaat niet alleen om 1-op-1-communicatie, maar ook om communicatie in meerdere richtingen:
Wheel network: één centrale persoon (vaak de leider) communiceert met iedereen
Circle network: iedereen communiceert met twee anderen in een kring
All-channel (of star) network: volledig gedecentraliseerd, iedereen met iedereen
Chain network: communicatie verloopt volgens een vaste volgorde
Y-pattern: sommigen hebben meer centrale rol in het netwerk
Weak ties (zwakke verbindingen) kunnen waardevolle informatiebronnen zijn.
Crisiscommunicatie Volgens Kim Harrison zijn dit de richtlijnen voor communicatie tijdens een crisis:
Speed – snelheid is cruciaal; stuur snel een eerste boodschap om geruchten en paniek te voorkomen Facts – controleer informatie op geloofwaardigheid en formuleer zorgvuldig Trust – bouw vertrouwen op via empathie, eerlijkheid, competentie en integriteit
Communication Flows in Organizations Communicatie kan external (extern) of internal (intern) zijn.
External communication = naar buiten toe, bijv. marketing of PR
Internal communication = tussen mensen binnen de organisatie Sommige medewerkers zijn boundary spanners (communiceren met externe partijen), wat leidt tot integrated communications.
Communicatie kan verlopen:
Downward – van boven naar beneden (bijv. beleid van management naar medewerkers)
Lateral – tussen collega’s
Upward – van medewerkers naar leidinggevenden → belangrijk voor participatie en organisatieverandering
Leiders moeten upward communication stimuleren, maar ook zorgen voor vertrouwen, zodat medewerkers zich veilig voelen om eerlijk te communiceren.
The grapevine Een informeel netwerk waarin geruchten en informatie (waar of niet waar) circuleren. Motieven: sociale interactie, informatie delen, emoties uiten. Kan schadelijk zijn (stress, fouten) of positief (voorkomt luiheid, biedt ventilatie).
Cyberslacking = computers gebruiken voor niet-werkgerelateerde doeleinden (bv. online shoppen)
E-harassment = toenemend probleem (onbeleefd of grensoverschrijdend gedrag via e-mail) → Oplossing: etiquette ontwikkelen en recht op rusttijd respecteren.
Nonverbal Communication Betreft uitingen via lichaamstaal, mimiek, oogcontact, houding en stem. → Slechts 7% van communicatie is verbaal, 93% non-verbaal!
Functies:
Displaying personal attributes – onthult persoonlijkheid
Establishing dominance and hierarchy – toont macht of onderdanigheid
Promoting social functioning – charisma of overtuigingskracht
Fostering high-quality relationships – opbouwen van vertrouwen
Displaying emotions – oprechte of gemaakte emoties overbrengen
Silence Employee silence = bewust iets niet delen met het management. → Komt vaker voor bij negatieve gevoelens of hoge werkdruk → Vermindert betrokkenheid en belemmert besluitvorming Oorzaken: oneerlijke behandeling, onethisch gedrag van collega’s → Oplossing: open klimaat stimuleren waarin men durft te spreken
Framing door leiders bepaalt hoe boodschappen worden geïnterpreteerd