69 Matching Annotations
  1. Last 7 days
    1. De bureaucratische organisaties hebben veel regels en hiërarchie. Je ziet dan ook vaak dat verandering lastig is. Revolutionaire verandering is hier dan nodig.

      soort verandering

    2. De essentie van exploitatie is de verfijning en uitbreiding van bestaande competenties, technologieën en paradigma's. Het rendement is positief, voorspelbaar en nabij. De essentie van exploratie is experimenteren met nieuwe alternatieven. Het rendement is onzeker, afstandelijk en vaak negatief.

      exploitatie vs exploratie

    3. Om een langere periode succesvol te zijn moeten managers en organisaties ambidextrous zijn, oftewel ‘tweetalig’. Ze moeten zowel radicale als geleidelijke verandering kunnen implementeren

      ambidextrous

    4. Evolutionaire verandering is noodzakelijk om te zorgen voor continuïteit in het afstemmingsproces. Gematigde en geleidelijke veranderingen

      evolutionair

    5. Revolutionaire verandering is nodig wanneer een organisatie zo rigide is, dat kleine veranderingen de organisatie niet in beweging brengen. - Een radicale benadering van de strategische veranderingen is vaak nodig wanneer slechts een korte tijdspan bestaat voor een grote verandering

      revolutionaire verandering

    1. In landen waar men gelooft in de internal locus of control, zoals de Verenigde Staten, is het industrieel leiderschap heersend. In landen waar men meer gelooft in een external locus of control zoals Azië, is het industrieel dynamiek perspectief dominant

      locus control

    2. Om uniek te zijn moet een organisatie iets anders doen, hoe innovatiever, hoe groter het concurrentievoordeel. Hoe radicaler de aanpassing, hoe moeilijker voor anderen om te volgen.

      uniek zorgt voor concurrentievoordeel

    3. Het zijn van een industrieleider klinkt proactief en heldachtig, maar is potentieel suïcidaal als het niet lukt om de concurrenten mee te krijgen met een verandering. Het is dus eigenlijk veiliger om de rest te volgen.

      paradox

    4. Regenerative dynamic capabilities: een reeks dynamische capaciteiten die kan inspelen op de bestaande reeks (momenteel ingebedde) dynamische capaciteiten. Hierdoor kan de resourcebase op een nieuwe manier worden veranderd.

      regenerative dynamic capabilities

    5. Renewing dynamic capabilities: deze dynamische capaciteiten worden gebruikt om een stroom in de veranderende omgeving te ondersteunen. Ze verversen en vernieuwen de aard van de resources in plaats van deze stapsgewijs aan te passen.

      renewing dynamic capabilities

    6. Incremental dynamic capability: deze vorm van dynamische capabilities beschrijft processen, die incrementele veranderingen teweegbrengen in de resource base van het bedrijf. Het gaat om veranderingen die continue voor kleine aanpassingen zorgen.

      incremental dynamic capability

    7. Normaal gesproken kan een organisatie concurrentievoordeel verkrijgen door als eerste iets te doen, maar op het moment dat iedereen dezelfde bronnen heeft, kan geen enkele organisatie als eerste iets doen. Een organisatie kan alleen ‘first-mover advantages’ hebben door heterogene bronnen te bezitten

      first mover

    8. Je hebt alle 3 de verschillende disciplines nodig in je bedrijf, de een is dominanter dan de ander maar je hebt ze nodig als minimale vereiste ten opzichte van je concurrenten.

      treacy & wiersema

    9. Duurzaamheid berust op 2 belangrijke factoren: 1. Je moet kunnen verdedigen wat je hebt, anders kan het snel worden gekopieerd. 2. Het moet worden geaccepteerd door de omgeving, activiteiten moeten als legitiem worden gezien

      duurzaam

    1. Houd stroom en voorraad uit elkaar: besparing en het begrotingstekort zijn stromen (per periode); vermogen en overheidsschuld zijn voorraden (op een moment). En let op S = I: dat geldt macro (nationaal), niet dat elk huishouden evenveel spaart als het investeert → financiële markten koppelen spaarders aan investeerders. Reken-truc: S = Y − C − G rechtstreeks (belastingen vallen tegen elkaar weg tussen privaat en publiek sparen)

      Handig

    2. Besparing is het deel van het beschikbare inkomen dat niet wordt geconsumeerd. Het is een stroom per periode. Vermogen is een voorraad op een bepaald moment:

      stroom vs voorraad

    3. Defleren vs indexeren → twee kanten van dezelfde munt. Defleren = een nominaal bedrag terugrekenen naar koopkracht: deel door (CPI/100). Indexeren = een bedrag ophogen zodat de koopkracht gelijk blijft: vermenigvuldig met CPIₜ/CPIₜ₋₁. Reken-check bij reëel loon: niet "4% − 6% = −2%" als eindantwoord, maar exact 1,04/1,06 − 1 = −1,89% (het verschil van de percentages is alleen een benadering).

      defleren vs indexeren

    1. Verwar liquiditeit en solvabiliteit niet. Liquiditeit = op tijd kunnen betalen; solvabiliteit = genoeg vermogen om verliezen/verplichtingen te dragen. Een bank kan solvabel en illiquide zijn: bezittingen zijn méér waard dan schulden, maar ze zijn vastgelegd in langlopende leningen terwijl deposito's direct opvraagbaar zijn (looptijdtransformatie). Daardoor kan een bankrun zichzelf versterken, en daarom bestaan depositogarantie en de centrale bank als lender of last resort

      liquiditeit en solvabiliteit

  2. Oct 2026
    1. 80 Het blootleggen en ontkrachten van een verouderd wereldbeeld is niet waar de scenarioanalyse stopt. Het reconstrueren van een nieuw model is de belangrijkste taak en is de verantwoordelijkheid van de managers zelf. Het is de taak van de planners om de interesse en deelname van de besluitvormers te betrekken bij deze reconstructie.

      scenario analyse

    2. Het doel van deze verkennende scenario's van de eerste generatie is niet actie, maar begrip. Hun doel is om inzicht te geven in het systeem, om de vooraf bepaalde elementen te identificeren en om verbanden waar te nemen tussen verschillende krachten en gebeurtenissen die het systeem aansturen

      eerste generatie

    3. Scenario's helpen managers om onzekerheid te structureren als (1) ze gebaseerd zijn op een gedegen analyse van de werkelijkheid en (2) ze de veronderstellingen van de besluitvormers over hoe de wereld werkt veranderen en hen dwingen om hun mentale model van de werkelijkheid te reorganiseren

      scenarios structureren

    1. S-LM oplossen = twee vergelijkingen, twee onbekenden: stel beide Y-uitdrukkingen gelijk, los i op, vul terug voor Y. Crowding out in één zin: begrotingsverruiming schuift IS naar rechts → inkomen stijgt → geldvraag stijgt → rente stijgt → een deel van de private investeringen valt weg. Daarom stijgt Y mínder dan in het Keynesiaanse kruis (met vaste rente). Hoe sterk de verdringing is: sterker bij steile LM en bij rentegevoelige bestedingen; zwakker als de centrale bank meeverruimt.

      is lm

    2. Twee dingen scherp houden. (1) Vermogen ≠ geld: een woning is vermogen maar geen betaalmiddel → geld onderscheidt zich doordat het direct inzetbaar is voor betalingen (breed geaccepteerd, deelbaar, draagbaar). (2) M1  M2  M3: elke ruimere maatstaf bevat de vorige én voegt bezittingen toe die minder direct beschikbaar zijn. Vuistregel: hoe hoger het nummer, hoe ruimer én hoe minder liquide. Fiatgeld ontleent zijn functie aan acceptatie en vertrouwen, niet aan een onderliggende goudwaarde.

      handig

    1. De multiplier-familie in één overzicht (bij c = marginale consumptiequote). Besteding: M_B = 1/(1−c) → bij c=0,8 is dat 5. Belasting: M_T = −c/(1−c) → −4 (kleiner, want de eerste ronde is maar c euro). Balanced budget (G én T samen omhoog): = 1. Met lekken wordt de noemer groter en de multiplier kleiner: met import m en tarief t → 1/(1−c(1−t)+m). Vuistregel: elk lek (sparen, belasting, import) maakt de noemer groter → multiplier kleiner → hogere belastingen werken als automatische stabilisator.

      multiplier in een notendop

    2. Lees het Keynesiaanse kruis goed: de 45°-lijn is waar Y = PAE (alle evenwichtskandidaten); de bestedingslijn (PAE) is vlakker omdat een deel van extra inkomen wordt gespaard. Het snijpunt = evenwichtsinkomen. Links ervan: geplande bestedingen > productie → onbedoelde voorraadafbouw → bedrijven produceren méér. Rechts: voorraadopbouw → minder productie. Valkuil: een hoger inkomen is een beweging langs de lijn; meer autonome bestedingen verschuiven de hele lijn omhoog

      Keynesiaanse kruis in een notendop

    3. Dit is de centrale gedachte van het Keynesiaanse model: op korte termijn, bij vaste prijzen en voldoende ongebruikte capaciteit, bepaalt de vraag hoeveel er wordt geproduceerd.

      productie aanpassing

    4. Onderbesteding gaat meestal samen met extra conjuncturele werkloosheid en minder inflatiedruk. Overbesteding zorgt juist voor een krapper arbeidsaanbod en meer druk op prijzen

      Outputgap

    5. De kern: obligatieprijs en marktrente bewegen tegengesteld. De coupon ligt vast; een hogere yield verlaagt de contante waarde van die vaste betalingen → prijs daalt. Herken drie situaties: - yield > couponrente → prijs onder pari (zoals 981,41 bij 4% coupon en 5% yield). - yield = coupon → rond pari. - yield < coupon → boven pari. En: langere looptijd = gevoeliger voor rente (verre betalingen reageren sterker). Valkuil: een hogere yield lijkt aantrekkelijker, maar weerspiegelt vaak extra risico

      obligaties in een notendop

    6. Obligatieprijs en marktrente bewegen tegengesteld. De contractuele betalingen blijven gelijk, maar een hogere discontovoet verlaagt hun contante waarde.

      marktrente obligatie

    7. Bij een yield gelijk aan de couponrente ligt een gewone obligatie op een coupondatum rond pari; bij een lagere yield ligt de prijs boven pari.

      obligatie en yield

    8. De uitgever belooft doorgaans periodieke rente, de coupon, en terugbetaling van de hoofdsom aan het einde van de looptijd. De coupon wordt bepaald door de contractuele couponrente. De prijs van de obligatie wordt bepaald door de actuele rendementseis op vergelijkbare beleggingen, de yield.

      obligatie

    9. Als de benodigde reële rente negatief is en de nominale rente een effectieve ondergrens bereikt, kan de feitelijke rente te hoog blijven. De vraag is dan te laag om alle beschikbare productiecapaciteit te gebruiken. Dit mechanisme wordt gebruikt om langdurige stagnatie te verklaren.

      stagnatie

    10. In de markt voor uitleenbare middelen is sparen het aanbod, investeren de vraag, en de reële rente de prijs. Twee bewegingen niet verwarren: - meer gewenst sparen → aanbod naar rechts → rente daalt; meer investeringsvraag → rente stijgt. - Crowding out: een groter begrotingstekort verlaagt de nationale besparing → aanbod naar links → rente stijgt → private investeringen vallen deels weg. Let op: bij een verticale besparingscurve verandert een vraagverschuiving alleen de rente, niet de hoeveelheid.

      belangrijk

    11. Bij een verticale besparingscurve ligt de totale beschikbare hoeveelheid vast. Een verschuiving van de investeringsvraag verandert dan de rente, maar niet de uiteindelijke hoeveelheid besparingen en investeringen.

      verticale besparingscurve

    12. Ezelsbruggetje! Een bedrijf investeert als de opbrengst de kosten dekt. Twee vormen: één periode → VMP > r·P_K (marginale opbrengst > rentekosten). Meerdere jaren → NCW = Σ kasstromen/(1+k)ʲ − aanschafprijs; investeer bij NCW > 0. Kerninzicht voor de kapitaalmarkt: een lagere rente verhoogt de contante waarde van toekomstige opbrengsten → méér projecten worden rendabel → meer investeringen. Rente omlaag = investeren aantrekkelijker.

      handig

    13. Hetzelfde onderscheid geldt bij de overheid: het jaarlijkse begrotingstekort is een stroom, de totale overheidsschuld een voorraad.

      stroom vs voorraad

    14. (1) Bbp meet productie, geen welvaart: vrije tijd, milieu, verdeling en onbetaald werk tellen niet mee → en herstel ná een ramp verhóógt het bbp terwijl de samenleving slechter af is. (2) BBP vs BNP: bbp kijkt naar de productielocatie (binnen het land), bnp naar het inkomen van nationale productiefactoren. BNP = BBP + factorinkomen uit buitenland − aan buitenland betaald.

      belangrijk

    15. n het onderscheid dat examens toetsen: verwachte inflatie zit al vóóraf in de nominale rente verwerkt; onverwachte inflatie verschuift koopkracht achteraf → onverwacht hoge inflatie helpt de schuldenaar (hij betaalt in minder waard geworden euro's terug), onverwacht lage inflatie de schuldeiser.

      belangrijk

    16. Dezelfde gedachte geldt voor aandelen en obligaties: een financiële transactie verplaatst eigendom of financiering, maar is niet de productie van een nieuw goed.

      obligaties

    17. Alleen finale goederen en diensten tellen rechtstreeks mee. Dat zijn producten voor eindgebruik of investering. Intermediaire goederen, zoals meel voor een bakker, zitten al in de waarde van het uiteindelijke brood

      finaal vs intermediair

    18. Stabilisatiebeleid probeert zulke schommelingen te beperken. Begrotingsbeleid werkt via overheidsbestedingen en belastingen; monetair beleid werkt via geld en rente. Structureel beleid richt zich op de productiecapaciteit, bijvoorbeeld via onderwijs of de werking van de arbeidsmarkt

      Vormen van beleid

    19. Op de lange termijn staat economische groei centraal: meer en betere productiemiddelen maken een hogere productie mogelijk. Op de korte termijn draait het vooral om schommelingen rond die ontwikkeling, zoals een recessie of een periode van sterke groei.

      Lange en korte termijn

  3. Sep 2026
    1. Daarna ga je van de hulplijn naar de werkelijke nieuwe budgetlijn. De relatieve prijzen blijven gelijk, terwijl de bestedingsruimte verandert. De beweging van B naar het nieuwe optimum C is het inkomenseffect. Samen vormen zij het totale prijseffect

      Nieuwe budgetlijn en oude indifferentiecurve.

    2. Het substitutie-effect isoleert de verandering in relatieve prijzen. In de grafiek teken je daarvoor een hulplijn die parallel loopt aan de nieuwe budgetlijn en de oude indifferentiecurve raakt

      Het substitutie effect vindt plaats op de indifferentiecurve

    3. Bij perfecte substituten (rechte indifferentiecurven) werkt de raakvoorwaarde MRS = Pₓ/Pᵧ niet — je krijgt een hoekoplossing: al het geld gaat naar het goed met het hoogste nut per euro (vergelijk a/Pₓ met b/Pᵧ). Bij perfecte complementen (L-vormig) ligt het optimum op de knik, niet op een raakpunt; los daar X = Y op met de budgetlijn. Zoek dus niet blind naar een raakpunt.
    4. en slotte veronderstellen we vaak een afnemende bereidheid om het ene goed voor het andere op te geven: wie al veel X heeft, wil voor nog één extra X minder Y inleveren.

      Voorkeuren en indifferentiecurven