61 Matching Annotations
  1. Oct 2024
    1. gliacellen

      Gliacellen = ondersteunende cellen in het zenuwstelsel die naast neuronen (zenuwcellen) een essentiële rol spelen in het behoud van de hersenfunctie.

    2. Cerebrale asymmetrie

      Cerebrale asymmetrie = twee hemisferen van het brein gespecialiseerd zijn in verschillende taken en hoe deze asymmetrie invloed heeft op cognitieve processen, gedragingen en vaardigheden

    1. epifenomenalisme

      Epifenomenalisme = de opvatting dat qualia niet tot de causale eigenschappen van mensen behoren (qualia doet niets) * Bijv. pijnlijke quale die gepaard gaat met het stoten van je teen is niet de reden dat je huilt of vloekt

    2. Explanatory gap argument: er is een verschil in het toepassen van verklarende kloofargumenten op eigendomsdualisme in plaats van substantiedualisme
      1. Target phenomenon = het onderwerp dat we proberen te verklaren
      2. Explaining theory = theorieen die we hebben voer hoe fysieke eigenschappen verband houden met subjectieve ervaringen 3.Explanatory gap = probleem dat er geen directe manier is om de subjectieve ervaringen te koppelen aan de fysieke theorieen
    3. 2 premissen
      1. Als fysicalisme waar is (alle eigenschappen zijn fysisch), dan weet Mary alles wat er te weten valt over kleurenzien
      2. Mary weet niet alles over kleurenzicht (ze weet niet hoe het is om rood te zien)

      -> Fysicalisme is onjuist, niet alle eigenschappen zijn fysiek

    4. Kennisargument

      Kennisargument = Mary (neurowetenschapper) kan kennis hebben van alle fysieke eigenschappen, ook al heeft ze nooit een visuele ervaring in kleur ondergaan (Frank Jackson)

    5. enkele premissen voor dit argument
      1. Het is denkbaar dat er een wezen is dat al mijn fysieke eigenschappen heeft
      2. Het is mogelijk dat er een wezen bestaat (met fysieke eigenschappen)
      3. Als dat bestaat, zijn qualia geen fysieke eigenschappen
    6. premissen voor dit argument
      1. Het is denkbaar dat er een wezen is dat al mijn fysieke eigenschappen heeft, maar verschillende qualia
      2. Het is mogelijk dat zo'n wezen bestaat (met fysieke eigenschappen maar verschillende qualia)
      3. Als het wezen met fysieke eigenschappen bestaat, dan zijn qualia geen fysieke eigenschappen

      -> Qualia zijn geen fysieke eigenschappen

    7. eigendomsdualisme: qualia en het brein

      Eigendomsdualisme bestaat uit subjectieve mentale eigenschappen en physicalisme (de visie dat alle eigenschappen fysieke eigenschappen zijn, ook mentale eigenschappen)

    8. behaviorisme, dat mentale processen zoals bewustzijn wantrouwde

      Behaviorisme = gedrag voornamelijk wordt bepaald door omgevingsfactoren, zonder rekening te houden met interne mentale processen

    9. Parallelisme

      Parallelisme = God wordt verondersteld niet op elk moment in te grijpen, maar in plaats daarvan twee parallelle stromen van gebeurtenissen op te zetten vanaf het begin van het universum

    10. Occasionalisme

      Occasionalisme = geest en lichaam niet direct met elkaar interageren, maar dat God voortdurend ingrijpt om de gebeurtenissen in de geest en het lichaam met elkaar te verbinden

    11. visie van substantie dualisten

      Perceptuele staat wordt niet veroorzaakt door de gebeurtenis in de wereld, maar is een perceptie ervan (teen stoten en pijn ervaren -> komt niet door de pijn maar door je eigen ervaring daarvan)

    12. bezwaren tegen het dualisme van Descartes

      Hoe kan het dat iets dat niet-ruimtelijk is, effecten kan hebben op en beinvloed kan worden door iets dat ruimtelijk is? (prinses Elisabeth van Bohemen)

      Het probleem is dus: terwijl Descartes beweert dat geest en lichaam kunnen interageren, legt het tegenargument van Elisabeth een cruciaal probleem bloot: de moeilijkheid van het begrijpen hoe twee zo verschillende substanties effectief met elkaar kunnen omgaan. Dit toont aan dat Descartes' dualisme niet zonder verdere uitleg kan staan, en benadrukt een belangrijke zwakte in zijn filosofie

    13. het cartesiaanse dualisme van Descartes
      • Geest en lichaam horen in verschillende categorieen van substantie thuis
      • Deze afzonderlijke substantie kunnen causaal interacteren
      • Descartes bevestigt dat er interacties zijn van de geest naar de fysieke wereld en weer terug
    14. Modaal argument

      Modaal argument = als leven op een andere planeet mogelijk is, moeten er ook noodzakelijke voorwaarden zijn die dit leven kunnen ondersteunen. Dit laat ons zien hoe mogelijk en noodzakelijk met elkaar verbonden zijn

    15. kritiek op explanatory gap arguments

      De kloof is misschien niet zo diep als het lijkt en dat we het misschien in de toekomst kunnen begrijpen

    16. Explanatory gap arguments

      Explanatory gap arguments = er is een kloof tussen het begrijpen van fysieke processen in de hersenen en het begrijpen van hoe deze processen leiden tot subjectieve ervaringen

    17. kritiek op Leibniz’s law argumenten
      • Ik weet met absolute zekerheid dat mijn geest bestaat
      • Ik weet niet met absolute zekerheid dat er een fysiek ding bestaat --> Mijn geest kan niet identiek zijn aan een fysiek ding; mijn geest moet een afzonderlijk en niet-fysiek ding

      Dit is kritiek omdat; alleen omdat je zeker weet dat je geest bestaat en niet zeker weet of fysieke dingen bestaan, betekent dat niet dat de geest en het lichaam verschillend moeten zijn

    18. vijf verschillen tussen de geest en het fysieke lichaam
      1. Fysieke lichamen zijn ruimtelijk, de geest niet
      2. Geesten zijn denkende dingen en fysieke objecten zijn onnadenkende dingen
      3. Intentionaliteit is iets wat alleen niet-fysieke dingen hebben
      4. Alleen mentale eigenschappen kunnen eigenschappen dragen die subjectief zijn
      5. Je kunt het mis hebben over het bestaan van fysieke objecten, maar je kunt het niet mis hebben over het bestaan van je eigen geest
    19. De wet van Leibniz

      Wet van Leibniz = als x en y hetzelfde zijn, moeten x en y al hun eigenschappen gemeen hebben * Als er een of meer eigenschappen zijn die je geest heeft en je lichaam mist (of andersom), betekent dat dus dat je geest en je lichaam verschillend zijn * Relevant voor substantiedualisme

    20. cartesiaanse substantiedualisme

      Cartesiaanse substantiedualisme = de werkelijkheid bestaat uit twee fundamenteel verschillende soorten substanties (de geest en het lichaam) * Afzonderlijke entiteiten die onafhankelijk van elkaar bestaan, maar op een mysterieuze manier met elkaar in interactie staan * Descartes

    21. Probleem van persoonlijke identiteit

      Probleem van persoonlijke identiteit = wat ons als dezelfde persoon door de tijd heen maakt, ondanks alle fysieke en psychologische veranderingen die we ondergaan

    22. Het probleem van de vrije wil

      Probleem van vrije wil = kunnen mensen echt keuzes maken of worden al onze beslissingen bepaald door eerdere oorzaken?

    23. Probleem van intentionaliteit

      Probleem van intentionaliteit = wanneer je denkt aan de Eiffeltoren, gaat je gedachte over een object dat buiten je eigen geest bestaat. Het filosofische probleem is hoe je mentale toestand (de gedachte aan de Eiffeltoren) deze specifieke gerichtheid of "aboutness" kan hebben naar iets in de echte wereld.

    24. Probleem van bewustzijn

      Probleem van bewustzijn = kan uitgelegd worden met het voorbeeld van de kleur rood. Stel, wetenschappers begrijpen alles over hoe lichtgolven werken, hoe onze ogen licht registreren en hoe de hersenen dat verwerken. Maar het probleem is dat dit niet verklaart hoe het voelt om de kleur rood te zien. Dit subjectieve gevoel, oftewel de persoonlijke ervaring van rood, noemen we het "bewustzijnsprobleem" — hoe kunnen fysieke processen zoals hersenactiviteit leiden tot die innerlijke ervaring?

    25. Probleem van kunstmatige intelligentie

      Probleem van kunstmatige intelligentie = vragen of AI echt bewustzijn kan hebben, of machines ooit kunnen denken zoals mensen

    26. Probleem van andere geesten

      Probleem van andere geesten = de vraag hoe we kunnen weten dat andere mensen bewustzijn en gedachten hebben, aangezien we alleen direct toegang hebben tot onze eigen geest en niet die van anderen. Het probleem stelt dat we enkel het gedrag van anderen kunnen observeren, maar niet direct kunnen ervaren wat zij denken of voelen

    27. Perceptieprobleem

      Perceptieprobleem = onze waarnemingen kunnen soms misleidend zijn (zoals bij illusies of hallucinaties), waardoor het onzeker is of we de wereld daadwerkelijk waarnemen zoals deze is

    28. David Hume

      David Hume = dacht dat het zelf geen vaste, blijvende entiteit is, maar een verzameling van voortdurend veranderende ervaringen en indrukken.

    29. Empirisme

      Empirisme = idee dat we dingen leren door wat we zien, horen, voelen, en meemaken, in plaats van door dingen die we al zouden weten bij onze geboorte

    30. Propositionele attitudes

      Propositionele attitude = de houding die iemand heeft ten opzichte van een bepaalde bewering of idee, zoals geloven, hopen of vrezen dat iets waar is

    1. activiteit van de hersenen in beeld brengen
      • EEG (Electro-encefalografie) meet de elektrische activiteit van de hersenen via elektroden op de schedel;
      • ERP (Event-Related Potential) is een specifieke EEG-analyse die hersenreacties op stimuli vastlegt;
      • CT-scan (Computertomografie) maakt gebruik van röntgenstralen om gedetailleerde dwarsdoorsneden van de hersenen te creëren;
      • PET (Positron Emission Tomography) meet de bloedstroom en metabolische activiteit in de hersenen door radioactieve tracers;
      • fMRI (Functionele Magnetische Resonantiebeeldvorming) detecteert veranderingen in bloedstroom om actieve hersengebieden tijdens taken in kaart te brengen;
      • DTI (Diffusion Tensor Imaging) beeldt de witte stof van de hersenen af door de diffusie van watermoleculen in zenuwvezels te meten;
      • TMS (Transcraniële Magnetische Stimulatie) gebruikt magnetische pulsen om bepaalde hersengebieden tijdelijk te stimuleren of te remmen, wat inzicht geeft in hun functie.
    2. Cholinerge systeem

      Cholinerge systeem = netwerk van zenuwcellen in de hersenen en het zenuwstelsel dat gebruikmaakt van acetylcholine als neurotransmitter. Dit systeem speelt een belangrijke rol in functies zoals geheugen, leren, aandacht en spierbeweging.

    3. metabotrope en ionotrope receptoren

      Metabotrope receptoren = activeren een serie biochemische reacties in de cel, wat zorgt voor langzamere en langdurigere veranderingen in de celactiviteit

      Ionotrope receptoren = openen direct ionkanalen in de celwand, wat leidt tot een snelle verandering in de elektrische activiteit van de cel.

    4. Oligondendrocyten

      Oligondendrocyten = ondersteunende cellen in het centrale zenuwstelsel die de myelineschede rondom axonen vormen, wat de snelheid van zenuwimpulsgeleiding verhoogt

    5. Brodmann

      Brodmann = verdeelde de hersenschors in verschillende gebieden op basis van de celstructuur en noemde deze gebieden Brodmann-gebieden

    6. Epigenese

      Epigenese = proces waarbij omgevingsinvloeden veranderingen veroorzaken in de werking van genen zonder dat de genetische code zelf verandert

    7. limbisch systeem

      Limbisch systeem = rol in zelfregulerend gedrag (amygdala + hippocampus + cingulate cortex) * Amygdala = emotie * Hippocampus = persoonlijk geheugen en ruimtelijke navigatie, corticosteron (stresshormoon) * Cingulate cortex = seksueel gedrag, sociale interacties, maken van beslissingen

    8. basale ganglia

      Basale ganglia = verzameling van kernen die een circuit vormen met de cortex (putamen, globus pallidus, caudate nucleus) * Caudate nucleus = ontvangt projecties van de gehele cortex -> stuurt projectie door naar de putamen en globus pallidus -> stuurt vervolgens naar de thalamus

      Basale ganglia heeft drie hoofdfuncties; * Verbinden sensorische gebieden met motorische gebieden * Reguleren beweging * Betrokken bij associatief leren

      Schade aan basale ganglia -> problemen met controleren van bewegingen * Ziekte van Huntington = onwillekeurige lichaamsbewegingen * Gilles de la Tourette = onvrijwillige tics * Ziekte van Parkinson = problemen met bewegingen en stijfheid van spieren

    9. telencephalon

      Telencephalon = neocortex + basale ganglia + limbisch systeem * Basale ganglia en limbisch systeem zijn subcorticaal (onder de hersenschors) en zijn verbonden * Basale ganglia = motorisch gedrag en associatief leren * Limbisch systeem = ruimtelijk en emotioneel gedrag

    10. diencephalon

      Diencephalon = hypothalamus + epithalamus + thalamus * Hypothalamus = beinvloed bijna allle aspecten van gemotiveerd gedrag * Epithalamus = afscheiden van melatonine, reguleren aspecten van honger en dorst * Thalamus = projecteren informatie naar en specifiek gebied in de hersenschors (sensorische informatie gaat hierheen)

    11. middenhersenen

      Middenhersenen = tectum + tegmentum

      Tectum = achterste zinguiglijke component * Ontvangt zintuiglijke informatie van de ogen en oren * Superieure colliculi = ontvangen projecties van het oog * Inferieure colliculi = ontvangen projecties van het oor

      Tegmentum = motorisch comonent * Rode kern = controleert de bewegingen van de ledematen * Substantia nigra = maakt een verbinding mogelijk met de voorhersenen * Periacqueductale grijze stof = cellichamen die het cerebrale aquaduct omringen. controleren van typisch gedrag, reguleren pijnreacties

    12. onderste hersenstamkernen

      Onderste hersenstamkernen = uiteinde ruggenmerg * Reguleren vitale functies (ademhaling, hart- en vaatstelsel) * Beschadiging onderste hersenstamkernen -> stoppen ademhaling en hartfunctie

    13. reticulaire formatie

      Reticulaire formatie = in de kern van de achterhersenen * Controleren van het slapen en waken (bewustzijn) * Beschadiging reticulaire formatie -> permanente bewusteloosheid

    14. kleine hersenen (cerebellum)

      Cerebellum = belangrijkste onderdeel van de achterhersenen * Motorische coordinatie * Motorisch leren * Ondersteunen van de coordinatie van andere mentale processen * Beschadiging cerebellum -> evenwichtsproblemen, houdingsstoornissen, problemen met aangeleerde motoriek

    15. Hughlings-Jackson

      Hughlings-Jackson = hierarchische organisatie (het zenuwstelsel heeft drie niveaus -> ruggenmerg, hersenstam en voorhersenen -> beschadiging van het hoogste niveau zorgt voor veel eenvoudiger gedrag) * Bindingsprobleem = hoe kunnen we de interactie van zoveel verschillende inputbronnen ervaren als één coherente ervaring * Behandeling epilepsie -> corpus callosum doorsnijden

    16. Wernicke

      Wernicke = hersengebieden kunnen samen werken * Auditieve gebieden in temporale kwab * Wernicke's afasie = mensen kunnen vloeiend spreken, maar wat ze zeggen is onsamenhangend en bijna zinloos (begrijpprobleem)

    17. Gall en Spurzheim

      Gall en Spurzheim = benadrukken dat elke hersenstructuur en elk hersenitem een specifieke functie heeft (lokalisatie van functies) * Frenologie = bepaalde eigenschappen kunnen worden toegeschreven aan bulten op iemands hoofd (dit is onjuist haha)

    18. Broca

      Broca = ontdekte dat hersencellen op zijn minst gedeeltelijk lateraal verdeeld zijn (bepaalde functies gebeuren in één kant van de hersenen) * Spraak is gelokaliseerd in de linker frontale kwab * Broca's afasie = mensen begrijpen wat ze horen, maar kunnen niet goed reageren (spraakprobleem)

    19. Descartes

      Descartes = mens wordt naast verstand ook beinvloed door fysiek brein (dualisme) * Pijnappelklier was het epicentrum van het corticale functioneren * Kritiek hierop -> geest-lichaam probleem

    20. Mendel

      Mendel = ontdekken van variabiliteit en de erfelijkheid van genen -> genetica * Epigenetica = de omgeving beinvloedt genexpressie * Neuroplasticiteit = de hersenen kunnen in de loop van de tijd veranderen en nieuwe neurale paden bouwen