313 Matching Annotations
  1. Last 7 days
    1. erankering

      cognitieve bias waarbij een persoon teveel invloed laat uitoefenen door het eerste stukje informatie dat hij of zij ontvangt waardoor latere oordelen of beslissingen onbewust dicht bij dat anker blijven

    2. Negeer van ontlastend bewijs

      cognitieve bias in rechterlijke oordeelsvorming waarbij een rechter bewijs dat de verdachte kan ontlasten onvoldoende gewicht geeft of negeert vaak omdat het niet past bij hun bestaande overtuiging of eerste indruk - negeren van ontlastend bewijs --> het onvoldoende meewegen of negeren van bewijs dat een verdachte kan vrijpleiten meestal door menselijke biases of eerdere verwachtingen

    3. Sociale biases

      vooroordelen of vertekeningen in het denken en oordelen van mensen die voortkomen uit sociale factoren zoals groepsdruk - cognitieve vertekeningen die ontstaan door de invloed van anderen of sociale context op ons oordel

    4. commitment-heuristiek

      waarbij mensen neigen om vast te houden aan eerdere keuzes, toezeggingen of gedragingen omdat ze consistent willen blijven met wat ze eerder hebben gedaan of gezegd - de neiging om beslissingen en oordelen te baseren op eerdere handelingen of toezeggingen

    5. bevestigingsbias

      waarbij mensen geneigd zijn alleen informatie te zoeken, interpreteren of onthouden die hun bestaande overtuigingen bevestigt, en tegenstrijdige informatie negeren - je voorkeur om informatie te zien die jouw bestaande ideeen of hypothese ondersteunt terwijl je tegenbewijs minder zwaar laat wegen

    6. reversal aversion

      waarbij mensen het moeilijk vinden om een eerdere beslissing of oordeel terug te draaien ook als nieuwe informatie of omstandigheden aangeven dat dit eigenlijk beter zou zijn - weerstand tegen het herzien van eerdere keuzes of uitspraken

    7. contrast effecten

      waarbij je een oordeel over iets laat bveinvloeden door vergelijking met iets anders dat je net daarvoor hebt gezien over ervaren

    8. anchoring effect

      cognitieve bias waarbij mensen hun oordeel sterk laten beinvloeden door een eerste informatiepunt, zelfs als dat niet relevant is

      • je baseert je oordel op een eerste getal of indruk en past daarna onvoldoende aan
    9. heuristieken

      mentale vuistregels die mensen gebruiken om snel beslissingen te nemen of om problemen op te lossen zonder alles uitgebreid te analyseren

    1. Ambitie

      hoe ver internationale rechters willen gaan in hun rol

      sommige hoven interpreteren het recht: - beperkt en voorzichtig - of juist actief en uitbreidend

    2. Afhankelijkheid

      mate waarin internationale rechtspraak afhankelijk is van staten dus ondanks autonomie blijven rechters praktisch afhankelijk van staten

    3. Autonomie

      onafhankelijkheid van politieke invloed - rechters moeten onafhankelijk beslissen - geen directe controle door staten

      te weinig autonomie --> rechtspraak wordt politiek gestuurd

    1. Zelfregulering

      betekent dat je je eigen gedrag en gedachten bewust kunt sturen om een doel te bereiken of je aan bepaalde regels te houden - gaat erom dat je jezelf kunt motiveren en disciplineren

    2. Intrinsieke motivatie

      motivatie die van binnenuit komt - je doet iets omdat je het leuk vindt, interessant of voldoening haalt uit de activiteit zelf - niet omdat iemand je iets geeft of omdat je straf wilt vermijden

    3. Extrinsieke motivatie

      motivatie die van buitenaf komt - betekent dat je iets doet niet omdat je het zelf leuk vindt maar omdat er een beloning, straf of ander extern gevolg aan verbonden is

    4. Nalevingspiramide

      model dat laat zien hoe handhavingsmaatregelen kunnen worden opgebouwd van zachte tot harde interventies, zodat naleving en wetten optimaal woden bevorderd

    5. Responsive regulation

      aanpak van handhaving en regulering waarbij overheid of toezichthouders hun reactie afstemmen op het gedrag van de gereguleerde partij

    6. Reintegrative shaming

      vorm van shaming waarbij iemand kritiek of schuldgevoel ervaart voor normoverschrijding maar waarbij herstel en terugkeer naar de groep centraal staat

      doel --> correctie van gedrag en herstel van sociale banden

    7. desintegrative shaming

      vorm van shaming waarbij iemand hard wordt gestraft op publiekelijk beschaamd waardoor hij of zij wordt buitengesloten van de groep of samenleving

      doel --> bestraffen van normoverschrijding zonder rehabilitatie

      • richt zich op schuld en schaamte maar niet op herstel of reintegratie
    8. Shaming

      vorm van sociale controle waarbij iemand openlijk of expliciet wordt bekritiseerd of beschaamd omdat hij of zij regels normen of verwachtingen heeft overtreden

      doel --> gedrag corrigeren door sociale druk

    9. Nalevingsperspectief

      manier van kijken naar beleid, regels of wetgeving waarbij het gedrag van mensen wordt beoordeeld op basis van hun naleving van de regels

      • focus ligt op of mensen zich aan wetten, regels of voorschriften houden
    10. Descriptieve normen

      gedragsregels die aangeven wat mensen feitelijk doen of wat gangbaar gedrag is binnen een groep of samenleving

      • focus ligt op observaties van gedrag, niet op wat sociaal wenselijk is
    11. Injunctieve normen

      gedragsregels die aangeven wat mensen zouden moeten doen of wat sociaal gewenst gedrag is - focus ligt op morele verplichting of sociale goedkeuring

    12. afschrikkingstheorie

      het idee dat mensen bepaald gedrag vermijden uit angst voor negatieve gevolgen of sancties

      mensen wegen kosten en baten af voordat ze handelen als de kosten hoog genoeg zijn zullen ze het ongewenste gedrag niet vertonen en andersom

    13. Nalevingsperspectief

      een manier van kijken naar het beleid of regels waarbij het gedrag van mensen wordt beoordeeld op basis van hun naleving van regels

    14. responsieve overheid

      een overheid die luistert naar burgers en actief inspeelt op hun behoeften, problemen en feedback - gaat om reactief en proactief handelen - burgers voelen zich gehoord en betrokken bij beleid

    15. Stereotypering

      toekennen van vaste, vaak vereenvoudigde kenmerken of eigenschappen aan een groep mensen, zonder rekening te houden met individuele verschillen

      • vaak gebaseerd op vooroordelen of algemene aannames
    16. Creaming

      het selectief behandelen van de makkelijkste, meest kansrijke of meest voordelige gevallen

      • gaat vaak om efficientie ten koste van gelijkheid
    17. copingsmechanismen

      manieren waarop mensen omgaan met stress, druk of moeilijke situaties

      • wanneer iemand onder druk staat gaat die persoon bewust of onbewust gedrag aanpassen om daarmee om te gaan
    18. frontlijnwerk

      het directe contact en werk van overheidsmedewerkers met burgers waarbij beleid in de praktijk wordt uitgevoerd

      • het is het praktische uitvoeringswerk van de overheid
      • waar regels en beleid echt worden toegepast
    1. Gedragen gedragsverandering

      een verandering in gedrag die breed wordt geaccepteerd en ondersteund door de samenleving

      • mensen veranderen hun gedrag niet alleen omdat het moet
      • maar omdat ze het zelf begrijpen, accepteren en steunen

      gaat niet alleen om gedrag veranderen maar om - draagvlak creeren - acceptatie van regels of normen

    2. Nudging

      het subtiel sturen van gedrag van mensen zonder dat je keuzes verbiedt of verplicht stelt - mensen behouden hun vrije keuze - maar worden onbewust een bepaalde richting op gestuurd

      • overheid probeert gedrag te beinvloeden via psychologie en keuzearchitectuur

      bijv orgaandonatie, automatisch donor tenzij je je afmeldt

    3. waarborgfunctie

      betekent dat het recht dient om rechten, vrijheden en belangen van burgers te beschermen

      -het recht borgt of garandeert bepaalde zaken in de samenleving - het zorgt dat macht niet onbeperkt kan worden uitgeofend

    4. nstrumentele functie

      betekent dat het recht wordt gebruikt als middel om bepaalde maatschappelijke doelen te bereiken - wetgeving en regels zijn niet alleen regels op zich - ze dienen om specifieke effecten in de samenleving te realiseren

      het recht is instrumenteel wanneer het functioneert als gereedschap - om gedrag te sturen - om conflicten te voorkomen of op te lossen

    5. wetgevingsjuristen

      zijn juristen die zich bezighouden met het opstellen, aanpassen en beoordelen van wetgeving - zij zorgen ervoor dat wetten juridisch correct, duidelijk en uitvoerbaar zijn

    6. agendering van wetgeving

      het proces waarbij een onderwerp of probleem op de politieke agenda wordt gezet zodat er mogelijk nieuwe wetgeving over komt

    1. e principle of supremacy

      bepaalt dat het recht van de Europese Unie voorrang heeft boven nationaal recht wanneer er een conflict bestaat

      als nationale wetgeving in strijd is met EU recht - moet de nationale rechter EU recht toepassen - en de nationale regel buiten toepassing laten

    2. Provisional5 judicial review

      betekent dat een rechter tijdelijke maatregelen kan nemen om rechten te beschermen in afwachting van een definitieve uitspraak

    3. does not relate to the interpretation of primary or secondary EU law;

      wanneer een verwijzing geen betrekking heeft op de interpretatie van primair en secundair EU recht

    4. act adopted by the bicameral1 Union legislator

      Europese wetgeving wordt formeel gedefineerd als een - wet die is aangenomen door de wetgevende macht van de Unie - bestaande uit twee kamers

    1. elf-executing norms

      zijn rechtsregels die direct kunnen worden toegepast door nationale rechters zonder dat er eerst nationale wetgeving nodig is

      • voldoende duidelijk en precies
      • onvoorwaardelijk
      • geen verdere uitwerking nodig heeft

      dan kunnen burgers zich er rechtstreeks op beroepen

    2. The doctrine of consistent interpretation

      houdt in dar nationale rechters verplicht zijn om nationaal recht zoveel mogelijk uit te leggen in overeenstemming met EU recht vooral met richtlijnen

      • nationale rechters moeten nationale wetgeving zo interpreteren dat het in lijn is met EU richtlijnen zelfs als die richtlijnen niet is omgezet
    3. ‘incidental’ horizontal effect

      uitzondering lijkt op het verbod van horizontal direct effect van richtlijnen

      • een richtlijn wordt ingeroepen tegen de staat maar heeft indirect negatieve gevolgen voor een private partij
    4. The direct effect of secondary law

      betekent dat bepalingen uit het secundaie EU recht rechtsreeks door burgers kunnen worden ingeroepen bij nationale rechters mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan

      secundair EU-recht zijn regels die worden vastgesteld door de Europese Unie op basis van verdragen zoals - verordeningen - richtlijnen - besluiten

    5. The prohibition of inverse vertical direct effect and horizontal direct effec

      de staat mag zich niet beroepen op een EU richtlijn tegen een burger normaal: burger --> staat (vertical direct effect)

      richtlijnen kunnen niet rechtstreeks worden ingeroepen tussen burgers onderling

      geldt alleen voor richtlijnen, andere EU bronnen kunnen wel horizontaal direct effect hebben

    6. Effet utile

      dat stelt dat EU recht zo moeten worden geinterperteerd en toegepast dat het effectief is en niet nutteloos wordt - eu wetgeving moet praktisch en effectief zijn, niet alleen op papier bestaan

    7. The doctrine of supremacy:

      dat bepaalt dat EU recht voorrang heeft boven nationaal recht wanneer er een conflict bestaat - wanneer een nationale wet en een EU regel botsen, moet nationale wet wijken

    8. Vertical direct effect

      betekent dat burgers EU rechten rechtstreeks kunnen inroepen tegen de staat of een orgaan van de staat

      • burgers kunnen EU wetgeving gebruiken om rechten af te dwingen tegenover nationale overheden

      burger --> staat

    9. The doctrine of direct effect

      dat stelt dat bepaalde bepalingen van eu wetgeving door burgers en bedrijven rechtstreeks bij nationale rechtbanken kunnen worden ingeroepen, zonder dat nationale wetgeving nodig is - burgers en bedrijven kunnen eu rechten zelf afdwingen tegenover staten of bedrijven - maakt eu recht effectief en afdwingbaar in alle lidstaten

    10. Principle of primacy.

      dat stelt dat eu recht voorrang heeft boven nationaal recht wanneer een conflict bestaat - lidstaten mogen nationale wetten die in strijd zijn met eu recht niet toepassen - dit zorgt ervoor dat eu recht uniform en effectief wordt toegepast in alle lidstaten

    11. Direct applicability

      dat betekent dat bepaalde eu wetgeving zonder nationale omzetting automatisch rechtskracht heeft in de lidstaten

      • eu recht wordt direct onderdeel van het nationale rechtsstelsel zodra het wordt aangenomen
      • lidstaten hoeven geen aparte nationale wet te maken om het eu recht te laten gelden
    1. The principle of proportionality

      dat bepaalt dat de EU bij het uitoefenen van haar bevoegdheden niet verder mag gaan dan nodig is om een doel te bereiken

      • EU maatregelen moeten passend, noodzakelijk en in verhouding zijn tot het nagestreefde doel
    2. Orange card mechanism

      versterkte versie van het yellow card mechanisme binnen de EU bedoeld om de naleving van het subsidariteitsbeginsel door de EU te controleren

      • nationaal parlementen kunnen een wetsvoorstel blokkeren of vertragen als ze vinden dat de EU te veel bevoegdheden uitoefent die beter door lidstaten kunnen worden uitgevoerd
      • strenger instrument dan de yellow card omdat het de EU dwingt meer formeel te reageren
    3. Yellow card mechanism

      instrument binnen de EU dat burgers en nationale parlementen de mogelijkheid geeft om de commisie of raad te waarschuwen dat een wetsvoorstel mogelijk het subsidariteitsbeginsel schendt

    4. principle of subsidiarity

      dat bepaalt op welk niveau beslissingen moeten worden genomen

      • de EU mag alleen handelen als de doelstellingen beter op EU niveau kunnen worden bereikt dan op nationaal, regionaal of lokaal niveau
      • als het doel effectiever door lidstaten kan worden bereikt --> EU mag niet ingrijpen
    5. Residual competence.

      betekent dat alle bevoegdheden die niet expliciet aan de EU zijn toegekend bij de lidstaten blijven

      • de EU mag alleen handelen binnen de bevoegdheden die haar uitdrukkelijk zijn verleend
      • alles wat niet in de verdragen staat valt onder de lidstaten
    6. Harmonization competences

      betekent dat de Europese Unie bevoegd is om de nationale wetgeving van lidstaten op elkaar af te stemmen

      de EU kan regels maken om - verschillen tussen nationale wetten te verminderen - de werking van de interne markt te verbeteren

      doel --> niet volledige uniformiteit maar meer gelijkheid tussen regels

    7. external competence

      betekent dat de Europese Unie bevoegd is om internationaal op te treden, dus buiten de EU

      • het gaat om de bevoegdheid van de EU om
      • internationale verdragen te sluiten
      • onderhandelingen te voeren met andere landen
    8. The doctrine of the implied external powers

      dat betekent dat de Europese Unie ook externe bevoegdheden kan hebben zelfs als die niet expliciet in de verdragen staan

      als de EU een interne bevoegdheid heeft dan kan daaruit ook een - impliciete externe bevoegdheid voortvloeien

    9. Exclusive competence

      betekent dat alleen de Europese Unie bevoegd is om wetgeving te maken en bindende besluiten te nemen op een bepaald beleidsterrein

    10. soft principle of conferra

      de EU mag niet alleen handelen op basis van expliciet toegekende bevoegdheden maar ook: als dat nodig is om haar doelen effectief te bereiken

    11. strict principle of conferra

      betekent dat de bevoegdheden van de EU zeer beperkt en strikt worden uitgelegd

      de EU mag alleen handelen als - de bevoegdheid duidelijk en expliciet in de verdragen staat - er geen twijfel is over die bevoegdheid

  2. Mar 2026
    1. ‘Ioannina Compromise

      politieke afspraak binnen de besluitvorming van de Raad van de EU die bedoeld is om lidstaten die bijna een blokkerende minderheid vormen extra inspraak te geven voordat een besluit met gekwalificeerde meerderheid wordt genomen

    2. degressively proportional system

      kiesstelsel waarbij de verdeling van zetels niet volledig evenredig is aan het aantal inwoners van een gebied, maar waarbij kleinere regio's relatief meer vertegenwoordiging krijgen per inwoner dan grotere

      • grote bevolkingsgroepen krijgen wel meer zetels maar niet volledig naar rato van hun inwonertal
    3. parliamentary system

      bestuursvorm waarbij de regering afhankelijk is van het vertrouwen van het parlement en het staatshoofd vaak een ceremoniele rol heeft

      • scheiding der machten minder strikt
      • regeringsleider afkomstig uit het parlement
      • flexibel mandaat
      • ceremoniele staatshoofd
    4. presidential system

      bestuursvorm waarbij de regering en het staatshoofd een persoon - de president - combineert, die direct door het volk wordt gekozen en los staat van het parlement

      • scheiding der machten
      • direct gekozen president
      • vast mandaat --> de president heeft een vast termijn, los van het vertrouwen van het parlement
      • veto- en controle bevoegdheden
    5. Budgetary

      de begrotings- of financiele bevoegdheden van een orgaan - het gaat om controle en goedkeuring van overheidsuitgaven en inkomsten

    1. Rechtspluralisme

      betekent dat er meerdere rechtssystemen of regels naast elkaar bestaan binnen een samenleving

      • in plaats van een centraal recht (dat van de staat) zijn er verschillende bronnen van regels die gedrag sturen
    2. law in action

      het recht zoals het daadwerkelijk functioneert in de samenleving

      het gaat om wat er echt gebeurt met het recht in de samenleving - hoe regels worden toegepast - hoe mensen zich eraan houden

    3. Recht als instrument

      betekent dat het recht wordt gezien als een middel om gedrag en maatschappelijke uitkomsten te sturen

      • het recht is geen doel op zich, maar een gereedschap (instrument)
      • om gedrag van mensen te beinvloeden
    4. geesteswetenschappen

      wetenschappen die zich richten op het begrijpen, interpreteren en verklaren van menselijke cultuur, denken en betekenis

    5. extern

      kijkt van buitenaf naar het recht - niet als jurist die regels toepast - maar als onderzoeker die het recht ziet als maatschappelijk verschijnsel

    1. measures

      zijn tijdelijke maatregelen die een internationale rechtbank opleggen om schade te voorkomen of de status quo te behouden terwijl een geschil nog wordt benaderd doel: voorkomen dat een situatie ergert wordt terwijl de zaak nog loopt

    2. Forum prorogatum:

      betekent dat een staat achteraf toestemming geeft aan een internationale rechtbank om een geschil te behandelen ook als de rechtbank oorspronkelijk niet bevoegd was

    3. International arbitration

      waarbij staten een internationaal geschil laten beslchten door een arbitraal - de beslissing is bindend voor de partijen - wordt vaak als alternatief voor de ICJ gebruikt

    4. Adjudicatory means of settling international disputes

      manieren om internationale geschillen op te lossen via een bindende juridische procedure

      • een rechtbank beslist over een geschil en de beslissing is juridisch bindend voor de betrokken staten
    5. Commission of inquiry

      onderzoeksgremium dat wordt ingesteld om feiten te onderzoeken bij een internationaal geschil - het doel is objectieve informatie te verzamelen die kan helpen bij de oplossing van het conflict - de commissie beslist niet bindend maar adviseert

    6. Non-adjudicatory8 means of settling international disputes

      zijn manieren waarop staten hun internationale geschillen oplossen zonder dat een rechter een bindende uitspraak doet - alternatieven voor juridische procedures

      • geen bindende beslissing
      • staten komen zelf tot een oplossing
      • gericht op onderhandelingen, compromis of samenwerking
    7. pre-emptive (preventive) self-defense

      een staat gebruikt geweld voordat een aanval plaatsvindt omdat er aanwijzingen zijn dat een aanval eraan komt

      er is een dreiging maar, de aanval is nog niet direct of onmiddelijk - de staat wil de tegenstander voor zijn

    8. anticipatory self-defense

      een staat gebruikt geweld voordat een aanval daadwerkelijk plaatsvindt omdat een aanval direct dreigt

      dus - niet wachten tot je wordt aangevallen - maar preventief handelen bij een onmiddelijke dreiging

    9. restrictive approach

      waarbij regels, rechten en bevoegdheden beperkt en strikt worden uitgelegd

      • geen ruime interpretatie
      • alleen wat duidelijk binnen de regel valt wordt toegestaan
    10. non-state actor

      een persoon, groep of organisatie die geen staat is maar wel een rol speelt in het internationaal recht of internationale relaties

    11. Jus in bello

      recht in oorlog - het zijn de regels van internationaal recht die bepalen hoe oorlog gevoerd moet worden, ongeacht of de oorlog zelf rechtmatig is

      dus - niet of je mag vechten (dat is jus ad bellum) - maar hoe je moet vechten

    12. Jus ad bellum

      het recht om oorlog te voeren - het zijn de regels van internationaal recht die bepalen wanneer een staat geweld mag gebruiken tegen een andere staat

    1. Offer assurances of non-repetition

      betekent dat de staat die een internationale schending heeft begaan belooft dat deze schending in de toekomst niet opnieuw zal plaatsvinden

    2. injuring state?

      de staat die een internationale verplichting schendt en daardoor schade veroorzaakt aan een andere staat - dit is de staat die verantwoordelijk kan zijn voor een internationale onrechtmatige daad

      injured state --> de staat die schade lijdt of wiens rechten worden geschonden

    3. Necessity

      omstandigheid die een staat kan gebruiken om zijn internationale aansprakelijkheid uit te sluiten wanneer hij een handeling verricht die anders een schending van internationaal recht zou zijn maar - noodzakelijk was om een ernstig gevaar voor een essentieel belang van de staat af te wenden - en er geen andere redelijke middelen beschikbaar waren

    4. Distress5

      een omstandigheid die de aansprakelijkheid van een staat kan uitsluiten omdat de staat handelde om een directe, ernstige dreiging voor mensenlevens te voorkomen - het is een noodtoestand die het internationaal recht erkent - de schending van een verplichting is dan toegelaten uit noodzaak

    5. Force majeure

      verwijst naar situaties waarin een staat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor een schending van een internationale verplichting, omdat de schending het gevolg is van een onvoorzien, buitengewone gebeurtenis die buiten de controle van de staat ligt

    6. Lawful countermeasures

      zijn acties die een staat mag nemen als reactie op een internationale onrechtmatige daad van een andere staat maar die ook binnen bepaalde regels blijven van het internationaal recht - het doel is om de andere staat te dwingen de schending te stoppen of te herstellen

    7. e wrongfulness of an act of a state is precluded if the act constitutes a lawful measure of self-defense taken in conformity

      de onrechtmatigheid van een staatshandeling wordt uitgesloten indien de handeling een rechtmatige zelfverdedigingsmaatregel betreft die in overeenstemming met art 51 is genomen

    8. Art. 20 ILC

      Geldige toestemming van een staat voor het verrichten van een bepaalde handeling door een andere staat sluit de onrechtmatigheid van die handeling ten opzichte van eerstgenoemde staat uit, zolang de handeling binnen de grenzen van die toestemming blijft.

    9. hat serve as justifications for not complying with an international obligation

      die als rechtvaardiging kunnen dienen voor het niet nakomen van een internationale verplichting

    10. Art. 7 ILC

      handelingen van staatsorganen buiten hun bevoegdheid zijn toegerekend aan de staat

      • een staatsorgaan vertegenwoordigt de staat in internationale relaties
      • zelfs als het orgaan de bevoegdheid overschrijdt blijft de staat aansprakelijk

      bijv een minister ondertekent een internationaal verdrag zonder toestemming van het parlement --> de staat is aansprakelijk

    11. de facto

      zijn personen of groepen die feitelijk de controle of macht van een staat uitoefenen ook al hebben ze geen officiele benoeming of wettelijke status

    12. secondary rules

      zijn regels die niet direct gedrag voorschrijven maar die bepalen hoe het rechtssysteem zelf werkt

      ze gaan dus niet over wat je wel of niet mag doen, maar over - hoe regels worden gemaakt toegepast en gehandhaafd

    1. self-executing norms

      zijn regels of bepalingen uit internationale verdragen die zonder verdere nationale wetgeving rechtsreeks door burgers kunnen worden ingeroepen voor een rechter - de norm werkt automatisch binnen een land zodra het verdrag van kracht is

    2. Supervening impossibility of performance

      dat betekent dat een partij niet meer kan voldoen aan haar verplichtingen door een onvoorziene gebeurtenis die buiten haar controle ligt

    3. Reservations

      is een verklaring die een staat maakt bij het sluiten van een verdrag, waarmee hij aangeeft dat hij niet gebonden wil zijn door een bepaald onderdeel van dat verdrag

    4. Unilateral statements

      zijn uitspraken van een staat die juridisch bindend kunnen zijn ook zonder dat andere staten daarmee instemmen - een staat doet zelfstandig een verklaring - en kan daardoor juridisch verplichtingen op zich nemen

    5. Peremptory norms

      zijn regels in het internationaal recht die zo fundamenteel zijn dat geen enkele staat ervan mag afkijken

      peremptory norms --> dwingende regels

    6. subsidiary sources of law.

      zijn hulpmiddelen die worden gebruikt om te bepalen wat recht is, maar die zelf geen zelfstandige rechtsbronnen zijn

      het zijn bronnen die helpen bij - het uitleggen van regels - het vaststellen van bestaande regels

      maar ze maken niet zelf het recht

    7. General principles of law

      zijn algemene rechtsbeginselen die door alle nationale rechtssystemen worden erkend en daarom ook in het internationaal recht worden toegepast

      • het zijn basisregels van rechtvaardigheid en logica die wereldwijd gelden
    8. opinio iuris

      overtuiging van rechtsverplichting - staten volgen een bepaalde gewoonte niet zomaar uit beleefdheid of gewoonte, maar omdat ze vinden dat het recht hen verplicht om zo te handelen

    9. subjective element

      dit betekent dat staten niet alleen handelen zoals gewoonlijk maar geloven dat ze juridisch verplicht zijn om zo te handelen - het gaat om het gevoel van rechtsverplichting niet alleen om gewoonte

    10. bjective element;

      dit betekent dat staten daadwerkelijk handelen op een bepaalde manier in overeenstemming met de regel - het gaat niet om wat ze zeggen, maar wat ze doen

    1. Extradition

      betekent het overdragen van een verdachte of veroordeelde van het ene land naar het andere land zodat hij daar kan worden berecht of zijn straf kan uitzitten

    2. Enforcement jurisdiction

      dat verwijst naar het recht van een staat om zijn wetten daadwerkelijk af te dwingen en maatregelen te nemen tegen overtreders

    3. Aut dedere aut judicare

      " of uitleveren, of berechten"

      wanneer iemand een ernstig internationaal misdrijf pleegt en zich in een staat bevindt heeft die staat een verplichting: - uitleveren --> de dader overdragen aan een staat die bevoegd is om te berechten - berechten --> zelf een rechtszaak starten en de persoon veroordelen

    4. Jurisdiction in absentia

      waarbij een staat of rechtbank rechtsmacht uitoefent over een persoon die fysiek niet aanwezig is bij de procedure

    5. Universal jurisdiction

      dat stelt dat een staat rechtsmacht kan uitoefenen over bepaalde ernstige misdrijven, ongeacht waar ze zijn gepleegd en ongeacht de nationaliteit van de dader of het slachtoffer

    6. Protective jurisdiction

      dat zegt dat een staat jurisdictie kan uitoefenen over handelingen buiten zijn grondgebied die bedreigingen vormen voor zijn veiligheid, vitale belangen of soevereiniteit

    7. • The subjective territoriality:

      dat zegt dat een staat jurisdictie kan uitoefenen over handelingen die binnen zijn grondgebied zijn begonnen ook als het effect of de afloop van die handelingen zich buiten het grondgebied voordoet

      • gericht op het begin van de handeling
    8. • The objective territoriality:

      dat zegt dat een staat jurisdictie kan uitoefenen over handelingen die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd maar die effecten hebben binnen het grondgebied van de staat

      objective --> gericht op het resultaat of effect

      als een actie buiten een staat plaatsvindt maar gevolgen heeft binnen de staat mag de staat zijn wetten toepassen

    9. The principle of jurisdiction

      verwijst naar het recht van een staat om zijn wetten toe te passen en beslissingen te nemen over personen, goederen of handelingen

    10. Non-governmental organizations

      zijn organisaties die onafhankelijk van de overheid opereren en zich inzetten voor een maatschappelijk, sociaal of humanitair doel

      NGO's werken vaak lokaal, nationaal of internationaal en hebben geen soeverein gezag zoals staten

    11. objects

      zijn de entiteiten waarop het internationaal recht betrekking heeft, maar die zelf geen zelfstandige rechten en plichten hebben

      een object is iets dat - onderworpen is aan regels - maar niet zelf actief kan optreden in het internationaal recht

    12. subjects

      zijn de dragers van rechten en plichten binnen het internationaal recht - zijn de actoren die kunnen deelnemen aan het internationaal rechtssysteem

    13. vertical

      betekent dat binnen bepaalde vormen van internationaal recht een hierarchische structuur ontstaat waarbij internationale organisaties of regels boven staten kunnen staan

      verticaal --> er is een soort boven-onder verhouding

      dus - staten werken samen in organisaties - die organisaties kunnen regels maken die invloed hebben op staten

    14. horizontal

      betekent dat het internationaal recht vooral werkt als een systeem tussen gelijke staten en niet hierarchisch zoals nationaal recht

      horizontaal --> staten staan naast elkaar niet boven of onder elkaar

    15. Accretion

      grondgebied ontstaat natuurlijk, bijv door - aanslibbing van land - vulkanische activiteit

      de staat krijgt automatisch dat nieuw land