35 Matching Annotations
  1. Apr 2019
    1. dB(A)

      De dB(A) is de eenheid waarin de sterkte van het geluid in verreweg de meeste gevallen wordt weergegeven. De dB(A) is afgeleid van de gewone decibel, maar corrigeert de geluidssterktes voor de gevoeligheid van het (menselijk) oor. Deze is namelijk voor de verschillende frequenties van het geluid niet gelijk.

    1. Looptijdstereo

      Looptijdstereofonie is gebaseerd op het feit dat het signaal van een van de kanalen een vertraging heeft ten opzichte van die van het andere. Deze vertraging is kleiner dan 0,5 milliseconde en komt overeen met de extra tijd die geluid erover doet om het afgewende oor te bereiken. De oren van de mens en de meeste dieren zijn getraind in het horen van korte looptijdverschillen van direct geluid. Het gehoor is er ook in getraind om indirect geluid te negeren, aangezien dat foutieve informatie geeft over de geluidsbron. Bij een hoofdtelefoon is looptijdstereofonie bepalend voor de richting. Op luidsprekers wordt dezelfde richting gehoord, mits die binnen de opstelling van de luidsprekers valt. Het is pas sinds kort mogelijk om looptijdstereo toe te passen op individuele microfoons. Traditionele analoge apparatuur was niet in staat geluid te vertragen. Wel was het mogelijk een stereo-opname te maken met twee microfoons in stereo-opstelling. Steunmicrofoons gooiden echter roet in het eten, doordat hun signaal eerder aankwam. Bovendien is looptijdstereofonie niet mono-compatibel.

    2. Intensiteitstereo

      Alleen de geluidssterkte van de twee kanalen verschilt. Bij luidsprekers zijn drie posities duidelijk, namelijk links, midden en rechts. Posities daartussen zijn minder nauwkeurig te bereiken. In de traditionele analoge mengtafel had ieder microfoonkanaal een panorama-potentiometer, kortweg panpot, waarmee het signaal in sterkte over links en rechts verdeeld werd. Het draaien aan de panpot wordt op zijn Engels panning genoemd. Intensiteitstereo is mono-compatibel, de geluidskwaliteit blijft in orde bij samenvoegen tot een monokanaal. Intensiteitstereo simuleert de schaduwwerking van het hoofd voor het afgewende oor, wat alleen bij hoge tonen optreedt. Intensiteitstereo werkt wel bij luidsprekers, niet bij hoofdtelefoon. Bij luidsprekers komen de lage tonen alsnog op beide oren aan. Met een hoofdtelefoon krijgt men een doof gevoel door intensiteitsverschillen in lage tonen.

    3. STEREO

      Stereofonie, in het spraakgebruik meestal kortweg stereo, verwijst over het algemeen naar tweekanaals geluidsopname en/of weergave: een opname die gelijktijdig voor twee luidsprekers een signaal bevat, in tegenstelling tot een monoraal geluid, waarvoor één kanaal wordt gebruikt. Een mens hoort van nature stereo. Met twee oren is men in staat twee verschillende signalen te verwerken (links en rechts) en de menselijke hersenen kunnen hieruit een zekere mate van ruimtelijkheid in het geluid waarnemen. Dit is stereo. Het principe van een stereo-opname is deze ruimtelijke luisterervaring vast te leggen door deze twee signalen als twee aparte kanalen op te nemen. Het doel van stereo-weergave is dat door middel van het weergeven van deze twee aparte kanalen de twee verschillende signalen de ruimtelijkheid (voor een deel) reproduceren. Bij monogeluid is dit niet mogelijk. Men spreekt bij stereo dus over een linker- en een rechterkanaal.

      bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Stereo_(geluid)

    1. CD-4

      Kort na de introductie van SQ en QS kwam JVC met het CD-4-systeem. Dit was het eerste systeem dat op de grammofoonplaat vier aparte kanalen kon aanbieden. Dat realiseerde men door de bovengrens van het geluid te beperken tot maximaal 15 kHz en twee extra kanalen frequentiegemoduleerd in de band van 20 kHz tot 45 kHz in de groef te persen. Hoewel de kanaalscheiding voldoende was, was het systeem gevoeliger voor vervorming, ruis en slijtage. CD-4 was een 4-4-4-systeem.

    2. QS

      Sansui bracht in 1973 als tegenhanger van SQ een matrix-systeem op de markt onder de naam QS. QS leek op SQ maar was in tegenstelling tot dat systeem meer toegespitst op surround-weergave in plaats van stereo-compatibiliteit. Hoewel ook hier de kanaalscheiding niet groter was dan 3 dB was het surround-resultaat wel beter omdat de kanaalscheiding tussen de diagonaal-tegenoverliggende kanalen maximaal was. QS is een 4-2-4-systeem.

    3. SQ

      Sony en CBS introduceerden in 1973 als eersten een quadrafonisch systeem: SQ. SQ was geen volwaardig quadrafonisch systeem, maar een zogenaamd matrix-systeem, omdat het slechts gebruik maakte van 2 kanalen. Door middel van faseverschuivingen was men in staat vier kanalen in twee kanalen te coderen en te decoderen. De kanaalscheiding was echter beperkt tot 3 dB tussen de voor- en achterkanalen. SQ was er vooral op ontworpen om maximale compatibiliteit met stereo te waarborgen: de kanaalscheiding tussen links en rechts was maximaal. Dit ging echter ten koste van de surroundkwaliteit.

      SQ is een 4-2-4-systeem.

    1. SPOOKSIGNALEN

      Spooksignalen: Dit zijn signalen waarvan de frequentie in analoge vorm buiten het menselijk gehoorspectrum ligt, maar die vanwege afrondingsfouten of vervorming toch binnen het menselijk gehoorspectrum vallen in hun digitale vorm.

    1. AIFF

      Het 'Audio Interchange File Format' is een bestandsformaat gebaseerd op het Interchange File Format. Het formaat werd ontwikkeld door computerfabrikant Apple Inc., voornamelijk om te gebruiken in haar eigen producten.

    2. WAV

      WAV (of WAVE) is een Microsoft- en IBM-standaard voor het bewaren van audio op pc's. Het is een variant van het bitstreamtype RIFF en leunt daardoor dicht aan tegen de audiotypen IFF en AIFF, die op Apple Macintosh-computers worden gebruikt.

    1. MP3

      MPEG-1 Layer 3 is een manier om geluid te comprimeren en is daarmee een broncodering-techniek. De veel gebruikte afkorting is MP3. Dit is een MPEG (Moving Picture Experts Group)-standaard uit 1992.

    2. AAC

      Advanced Audio Coding (AAC) is een coderingsstandaard voor lossy compressie van digitale audio. AAC is ontworpen als opvolger van MP3 en behaalt algemeen gezien een betere geluidskwaliteit ten opzichte van MP3 bij gelijke bitsnelheden.

    3. MP3PRO

      Mp3PRO is een audioformaat dat volgens de bedenkers met de halve bitrate dezelfde kwaliteit biedt als MP3. Het gemaakte audiobestand is kleiner en er zou geen kwaliteitsverlies te horen zijn.

    4. WMA

      'Windows Media Audio' is een compressievorm die door Microsoft is ontwikkeld en standaard met Windows Media Player wordt meegeleverd. Het is een gesloten formaat. Aangezien Microsofts Windows een groot marktaandeel heeft, is deze codec snel een facto standaard geworden.

    5. OGG VORBIS

      Ogg Vorbis is de opensource-compressiemethode voor geluidsbestanden, die vrij is van patenten, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de audio-indelingen MP3 en Microsofts WMA.